Naar een Europese Defensie ?
De Europese Unie heeft geen gemeenschappelijk leger.
Hooguit bestaan er een paar gezamenlijke brigades (Eurocorps/ Euro Battlegroups) en een Europees Defensie Agentschap (EDA) in Brussel met een beperkt budget van 30 miljoen euro (voor advies en coördinatie van multinationale defensieprojecten).
De verdediging van de lidstaten gebeurt dus door de eigen nationale legers en voor de meeste lidstaten sinds april 1949 binnen het NAVO-bondgenootschap.
Maar door de voortdurende bezuinigingen op defensie-uitgaven is de militaire capaciteit van de EU en haar rol om een sterke Europese pijler binnen de NAVO te zijn, ondermijnd.
Jaarlijks besteden de 28 EU-lidstaten +/- 230 miljard € aan defensie (gemiddeld 1,34% van het BBP) ten opzichte van 550 miljard € in de Verenigde Staten (3,3% van het BBP).
Door de opdeling van 28 afzonderlijke nationale legers, gaat een groot deel van de 230 miljard € verloren aan overbodige overlappingen en versnippering van ondersteunende diensten.
Hoewel de EU-lidstaten +/- 40% van het Amerikaanse budget aan defensie uitgeven, ligt de effectiviteitsgraad door gebrek aan samenwerking, coördinatie en synergieën ergens tussen de 10 en 15% van die van de Amerikanen.
Tussen de NAVO-leden werd op de NAVO-top in Cardiff in 2014 afgesproken om te streven naar een nationaal defensiebudget van 2% van het BBP tegen 2024. België besteedt momenteel 0,9% van het BBP ofwel 3,9 miljard € aan defensie (één van de laagste binnen de NAVO). 2% betekent voor België een verhoging van 4,5 miljard € !
Eveneens werd tijdens de NAVO-top afgesproken om 20% van het defensiebudget te besteden aan investeringen. Maar als ieder land vooral focust op het ondersteunen en beschermen van de eigen defensie-industrie zal dit opnieuw tot overlappingen en inefficiënties leiden.
Meer samenwerking tussen EU-landen bij defensie-uitgaven is om economische redenen dan ook een verstandige keuze. Door overheidsopdrachten te bundelen, kan tot 30% van de jaarlijkse defensie-uitgaven worden uitgespaard.
De gefragmenteerde aanpak op het gebied van defensie leidt eveneens tot onnodige overlapping en tast de inzetbaarheid van de strijdkrachten aan. Er zijn 178 verschillende wapensystemen in de EU, vergeleken met 30 in de VS. Er zijn 17 verschillende types gevechtstanks in de EU, vergeleken met slechts één in de VS. Voor bepaalde helikopterprogramma’s zijn er meer helikoptertypes in Europa dan regeringen die helikopters kunnen kopen! (En dikwijls wil ieder land dan nog zijn eigen versie van een model b.v. de reddingshelikopter NF4-90 van Airbus-Fokker-Agusta).
Denken we maar aan de versnippering van ontwikkelingskosten. B.v. voor één toekomstig gevechtsvliegtuig en de verschillende fabrikanten die nu binnen de EU elkaar beconcurreren (Rafale van het Franse Dassault, Gripen van het Zweedse Saab, Typhoon van het Brits-Duits-Italiaans-Spaans Euro-fighter-consortium). Deze moeten concurreren tegen de F-35 Joint Strike Fighter van het Amerikaanse Lookheed Martin (die zijn investering al lang heeft terugverdiend op de Amerikaanse markt).
Toch beweegt er de laatste jaren iets binnen de EU.
De aanleiding hiervan zijn een aantal gebeurtenissen die zich in de afgelopen jaren voordeden:
- De uitspraak van de Amerikaanse president Trump “dat de Europese landen niet van zelfsprekend hoeven te rekenen op Amerikaanse militaire steun” (tijdens zijn bezoek in mei 2017 aan het nieuwe NAVO-hoofdkwartier in Brussel);
- De annexatie van de Krim en de interventies van Rusland in Oost-Oekraïne;
- De instabiele situatie aan de Zuidoost grenzen van de EU.
- Het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU, één van de belangrijkste militaire machten binnen de EU, maar ook een belangrijk tegenstander van nauwere samenwerking in Europa op het gebied van defensie.
Na de uitlatingen van president Trump deed Angela Merel een oproep om tot een grotere militaire samenwerking binnen de EU te komen en zelf in te staan voor onze verdediging.
Twee recente belangrijke beslissingen
- Europees Defensiefonds
Op 30 november 2016 stelde de Europese Commissie een Europees defensiefonds voor (inmiddels goedgekeurd door de EU-leiders tijdens de Europese Raad van 15 december 2016).
Dit defensiefonds zal dienen voor investeringen in onderzoek en voor gezamenlijke ontwikkeling en defensieaankopen. In juni 2017 stelde de Commissie een gedetailleerd plan voor en heeft zij een jaarlijks budget van 500 miljoen € vrijgemaakt voor defensieonderzoek voor de jaren 2019 en 2020 en 500 miljoen € voor de ontwikkeling en aankoop van nieuwe uitrusting (vanaf 2020 verhoogt naar 1 miljard €). De defensieprojecten (minstens twee lidstaten en drie bedrijven plus beantwoorden aan Europese defensienoden) zullen een muliplicatoreffect hebben daar 20% door de Commissie zal worden gefinancierd en 80% door de bedrijven zelf.
Vandaag wordt al samengewerkt op het gebied van defensie-innovatie, zoals de bouw van drones en de ontwikkeling van systemen die cybercriminaliteit moeten voorkomen.
- Permanente Structurele Samenwerking (PESCO)
De regeringsleiders van de EU-landen hebben op de recente Europese top van 14 en 15 december 2017, groen licht gegeven om structureel te gaan samenwerken op defensiegebied.
Deze Europese defensie samenwerking (PESCO of Permanent Structurele Samenwerking) bestaat uit zeventien defensieprojecten, waar groepjes landen met elkaar gaan samenwerken. België en Nederland doen mee aan respectievelijk zes en zeven projecten. Zowel België als Nederland nemen ieder het voortouw in één van de projecten (België voor maritieme ontmijning en Nederland voor het transport van militair materieel en personeel door Europa). Een ander project is het opzetten van een Europees Medisch Commando waarin Duitsland de leiding neemt. Overige projecten zijn de ontwikkeling van cyberveiligheid, radioapparatuur, logistieke militaire centra, militair materieel en projecten rond gezamenlijke trainingen en operationele paraatheid.
Met uitzondering van Denemarken, Malta en het Verenigd Koninkrijk doen alle overige 25 EU-landen hieraan mee met de belofte hun defensie-uitgaven in de volgende jaren geregeld te verhogen. Malta en Denemarken kunnen in een later stadium nog altijd kiezen om zich aan te sluiten bij bepaalde projecten.
De voorzitter van de Europese Raad Donald Tusk was euforisch na de goedkeuring van de regeringsleiders en zei “Een droom wordt realiteit. Dit is goed nieuws voor onze bondgenoten en slecht nieuws voor onze vijanden.’’
Maar volgens velen is “PESCO enkel een manier voor de EU om de middelen beter in te zetten en komt dit zeker niet in de plaats van de NAVO.”
Binnen de Europese Raad werd dan ook geen overeenstemming bereikt om een echte Europese defensiemacht uit te bouwen.
De Europese samenwerking op veiligheids- en defensiegebied
In 1952 werd al eens geprobeerd (door de toenmalige zes EGKS-landen) om een Europese Defensiegemeenschap (EDG) op te richten. Het was toen, in volle koude oorlog, vooral gericht op de verdediging tegen een buitenlandse aanvaller (de Sovjet-Unie). Maar in 1954, een jaar na de dood van Stalin, werd het wetsvoorstel verworpen door het Franse parlement. Na de dood van Stalin leek de koude oorlog voorbij en eveneens de noodzaak van een Europees leger. Op 23 oktober 1954 werd de WEU opgericht (West-Europese Unie) waar tussen de zes EGKS-landen en het Verenigd Koninkrijk tot een militaire samenwerking werd besloten. Het gewicht van de WEU is nooit erg groot geweest omdat de Europese militaire samenwerking grotendeels binnen de in 1949 opgerichte NAVO gebeurde.
Met de oprichting van het Europees Defensieagentschap (EDA) in 2004 en vooral sinds het Verdrag van Lissabon bestaat er sinds 1 december 2009 een Gemeenschappelijk Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (GBVB) en werden alle taken van de WEU aan de EU overgedragen.
Deze taken bestaan vooral uit Humanitaire en reddingsoperaties, Vredeshandhaving, Crisbeheer (inclusief het afdwingen van vrede), Ontwapeningsacties, Militair advies en bijstand en Stabiliserings-acties. De WEU werd hierdoor overbodig en uiteindelijk ontbonden in 2011. Het EDA stimuleert ook Europese samenwerkingsprojecten (b.v. het Europees militair luchttransportcommando (EATC) in Eindhoven waar het commandocentrum is gevestigd voor het militair transport van zeven EU-lidstaten waaronder België).
Op defensiegebied bestaan er een aantal spontane samenwerkingsprojecten tussen lidstaten dikwijls ingegeven door kostenbesparing. Denken we maar aan de Belgisch-Nederlandse samenwerking op het vlak van de marine met een gezamenlijk hoofdkwartier en marine-school in Den Helder in Nederland.
Sinds het Verdrag van Lissabon werd ook de ‘Europese Dienst voor Extern Optreden’ (EDEO) opgericht en de functie gecreëerd van ‘Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheid’.
EDEO (gevestigd in Brussel) is een organisatie die het Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid uitvoert en diplomatieke betrekkingen onderhoudt met landen buiten de EU en dit in samenwerking met de lidstaten en de Europese Commissie.
De Hoge Vertegenwoordiger (Federica Mogherini) vertegenwoordigt de Unie in het buitenland maar enkel op die domeinen waarover tussen de lidstaten een consensus werd bereikt. Zij is vicevoorzitter van de Europese Commissie en voorzitter van de Raad van ministers van buitenlandse zaken en zij leidt de dienst EDEO. Zij vormt samen met de voorzitter van de Europese Raad (Donald Tusk) het Europese aanspreekpunt voor de buitenwereld.
Het is de vraag of het Verdrag van Lissabon heeft gezorgd voor meer Europese eensgezindheid?
Na de invoering van het Verdrag vond er een machtsstrijd plaats tussen de lidstaten (Europese Raad) en de Commissie over wie welke invloed zou krijgen over het buitenlands beleid.
Het ontbreekt dan ook aan een gezamenlijke Europese buitenland- en veiligheidsstrategie waarin huidige en toekomstige bedreigingen worden benoemd evenals de Europese defensiecapaciteiten die nodig zijn om deze bedreigingen te kunnen afwenden.
Militaire capaciteit en gezamenlijke strategie
De enige twee EU-lidstaten die over een inzetbaar leger beschikken zijn Frankrijk (jaarlijks budget van 40 miljard € en 1,8% van het BBP en het Verenigd Koninkrijk 48,5 miljard € en 2,2% van het BBP).
En zelfs Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hadden Amerikaanse steun nodig tijdens hun interventie in Libië. Duitsland en Italië volgen met respectievelijk 37,5 miljard € (1,2%) en Italië 20 miljard €.
Tijdens de Balkanoorlogen (1990-1995) werd duidelijk dat de EU het moeilijk had om de situatie onder controle te krijgen. Er was binnen de EU wel eensgezindheid, maar Europa beschikte over onvoldoende militaire capaciteit om te kunnen ingrijpen. De NAVO heeft uiteindelijk geholpen om het conflict te beëindigen.
Sindsdien werd een begin gemaakt met de oprichting van Europese strijdgroepen (of ‘EU-battlegroups’ ofwel een type snelle reactie-eenheid (een samengesteld bataljon van ongeveer 1500 militairen). De strijdgroepen zijn een belangrijk instrument voor een snelle militaire interventie dat de EU ter beschikking staat. Ze zijn echter nog nooit ingezet en operationeel getest en zijn afhankelijk van de militaire capaciteiten van de NAVO. Het is daarom nog altijd noodzakelijk om het Europees Defensiebeleid af te stemmen op het NAVO-beleid.
Het is voor de EU soms moeilijk om tot een gezamenlijke strategie te komen. Dit bleek tijdens de oorlog in Irak in 2003. De Verenigde Staten dwongen de EU-lidstaten om een standpunt in te nemen tijdens de oorlog. Groot-Brittannië, Spanje, Italië en Nederland steunden de interventie van de Verenigde Staten, terwijl Frankrijk, Duitsland en België niets zagen in een oorlog.
Een ander voorbeeld is de strijd tegen de Islamitische Staat in het Midden-Oosten. De EU-lidstaten konden het niet eens worden over een gezamenlijke militaire missie tegen IS. Het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en België voeren daarom eigen militaire missies uit.
Luc De Vos (Oostende, 1946) is licentiaat Geschiedenis en doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (KU Leuven). Hij is emeritus buitengewoon hoogleraar “Belgisch Buitenlands Beleid” aan de KU Leuven en emeritus gewoon hoogleraar “Krijgsgeschiedenis” aan de Militaire School en voormalig departementshoofd “Conflict Studies” eveneens aan de Militaire School.
Luc De Vos is auteur van meer dan 40 boeken waaronder diverse boeken over de Eerste en Tweede Wereldoorlog zoals: België in de Tweede Wereldoorlog, 1990. ’14-’18 Oorlog in België, 2014
maar eveneens over diverse andere onderwerpen zoals: Lumumba: de complotten?, 2004. De Grote Geopolitieke Problemen na de Tweede Wereldoorlog, 2010. Het Belgisch Buitenlands Beleid, 2006. Veldslagen in de Lage Landen, 1995.
Luc De Vos wordt veel gevraagd bij het opzetten van diverse tentoonstellingen zoals de prestigieuze tentoonstelling in 1995 in het Jubelpark in Brussel ‘Ik was 20 in 1945’.
De media vraagt Luc De Vos regelmatig om commentaar te geven bij belangrijke militaire gebeurtenissen zoals het veelbekeken televisieoptreden tijdens de Irakoorlog. Ooit pleitte hij voor een vergaande samenwerking tussen de legers van België, Nederland en Luxemburg (Benelux-leger).
Leave a comment